‘Niet tijdens het feest’, sprak de hogepriester,
‘ik kan geen opstootjes gebruiken.
Die man heeft mij teveel aanhangers.’

Ene Simon, een rijk man maar melaats van geest,
bedacht dat hij wel iets kon ondernemen.
‘Zou u misschien met mij een hapje willen eten?
U mag wel enkele leerlingen meebrengen.
Maar verwacht niets bijzonders, hoor.’
Zijn huichelarij droop af van de invitatie.

De Rabbi, nooit te beroerd om met zondaars te eten,
gaf geen commentaar op het gebrek aan manieren,
dat Hij geen water en linnen doek kreeg aangeboden.


Hij zette zich rustig aan tafel en wachtte af,
zocht in zijn hart naar medicijn bij melaatsheid.
Hoe kon hij die keiharde man nog raken?’

En zie, een van de vrouwen onder zijn leerlingen,
diep bedroefd om wat zij wist dat ging komen, de dood,
en nimmer een lofzang om Jezus, Gods grote Gezant,
geen hogepriester die Gods Uitverkorene zou zalven,
Gods eigen volk verblind achter soldaten en beulen aan.

Zij nam het kostbaarste dat ze bezat, een albasten kruikje.
Ze had het gereed staan met de aller-kostbaarste olie
sinds het moment dat zijzelf zijn grootheid had doorzien.

Waarom zou zij Hem niet zalven? Nu kon het nog