|

Bij een beeldje
Een vrouw uit Barendrecht heeft
een beeldje voor me geboetseerd. Eerder had ze een werk van mij gelezen:
Lied van Verlangen, waarin Maria Magdalena haar verhaal vertelt.
De kunstenares die het beeldje boetseerde is ontroerd door Magdalenas
optreden bij de zalving, enkele dagen voordat Jezus de kruisdood zal
ondergaan. Ze zet een vrouw neer, die stomverbaasd is omdat niemand van
de mannen van Israel, de hogepriester niet, de schriftgeleerden niet,
zelfs de apostelen niet, beseffen dat deze Rabbi een Profeet van God is,
de Messias die eeuwenlang was voorzegd.
Stomverbaasd dat niemand zelfs maar gedacht heeft aan een zalving, zoals
die in de traditie van Israel gebruikelijk is voor profeten.
Is Jezus soms niet de Gezalfde van de Heer? Past daar voor het volk niet
een liturgisch gebaar bij?
Maria Magdalena zit klaar om daarin te voorzien.
Zij is geboetseerd als een vrouw die er aan komt met een kruikje olie.
Wat zeg ik? Een kruikje? Een kruik. Het moet wel opvallen.
Ze is neergezet zonder sluier, het symbool van een bescheiden vrouw.
Vandaag is niet haar bescheidenheid aan de orde.
Deze Maria Magdalena weet namelijk wat zich daarbinnen afspeelt; daar
gaat ze zich tegen verzetten.
Ze zal zich vermannen nu ze iets gaat ondernemen wat vrouwen helemaal
niet toekomt, een liturgische handeling.
Een welsprekend woord, dit vermannen. Maria Magdalena trekt het
krachtenveld van een man om zich heen.
Ze kan ieder ogenblik opstaan en het huis binnengaan, waar een farizeeėr
aan tafel zit met Jezus en enkele van zijn leerlingen.
De gastheer heeft Jezus zeker niet de hartelijkheid bewezen die men een
gast bewijst.
Die Farizeeėr zit daarentegen klaar om toe te slaan als hij een
overtreding van de Wet signaleert.
Wanneer je de vrouw die daar zo zit beschouwt, komt het hele gebeuren
van de zalving zoals het door vier evangelisten is beschreven
onmiddellijk bij je boven.
Ze zal binnengaan, de hals van het kruikje stukslaan en daarmee de
aandacht vragen van allen die aan tafel zijn.
Ze zal al haar kostbare olie uitgieten over het hoofd van Jezus en zelfs
over zijn voeten, de voeten van Hem die de Vrede brengen.
Maar zullen de aanwezigen het gebaar herkennen?
Zullen de komende eeuwen het herkennen, de predikanten, de geestelijke
schrijvers?
Daar houdt Maria Magdalena zich niet mee bezig.
Haar gebaar van de zalving is voor haar vooral een persoonlijke
liefdesbetuiging.
Jezus zal haar grote liefde aanvaarden. Hij zal haar roemen, de
zieneres. Hij zal haar roemen om haar geloof, om het vertrouwen dat ze
in Hem stelt. Want geloof is in wezen vertrouwen. Geloof, hoop en
liefde, ze tuimelen hier over elkaar heen.
|